Anjers uit Aalsmeer

STILLE GETUIGEN VAN EEN REVOLUTIE

door Menno Postma

25 april 1974. De anjers kwamen uit Holland...25 april 1974. De anjers kwamen uit Holland...Lissabon, 25 april 1974 om 9 uur ´s morgens: opstandige, met tanks en mitrailleurs bewapende, eenheden van het Portugese leger staan op het Praça de Comércio [Terreiro do Paço] tegenover regeringsgetrouwe troepen onder leiding van brigadegeneraal Junqueira dos Reis. De commandant van de opstandige soldaten, kapitein Salgueiro Maia, loopt samen met zijn luitenant Alfredo Correia Assunção naar Reis toe om te onderhandelen. Reis voelt daar echter niets voor en eist op luide toon de overgave van de rebellen. Het is buigen of barsten, het welslagen van de couppoging hangt af van dit ene moment. Rustig deelt Assunção de gezagsgetrouwe troepen mee dat meerdere ministeries, waaronder dat van defensie, al in handen zijn gevallen van de rebellen en dat verder verzet nutteloos is. Reis weigert zich echter over te geven, in tegendeel zelfs: hij geeft zijn troepen de order om Assunção en Salgueiro Maia - met witte vlag - neer te schieten. De vaandrig die de order moet uitvoeren weigert, en met hem zijn manschappen. De revolutie lijkt gered.
Hoe precair de situatie was bleek wel uit het feit dat kapitein Salgueiro Maia een handgranaat in zijn zak had, klaar om zichzelf en zijn tegenstanders op te blazen. ‘In een crisissituatie valt sterven te verkiezen boven terugdeinzen, er was geen weg meer terug. Als ik het had overleefd zou mijn leven tot een hel zijn geworden. En mijn gezin zou ook zwaar onder de gevolgen hebben geleden. Mijn dood zou misschien een martelaar van mij gemaakt hebben wat mogelijk later nog zijn vruchten had kunnen afwerpen,' aldus Salgueiro Maia in een ongepubliceerd interview uit 1991, een jaar voor zijn dood.

Ondertussen verschijnen de kranten – voor de eerste keer in decennia zonder censuur - die verhalen over de aan de gang zijnde staatsgreep. De mensen in de straat omhelzen elkaar en huilen van vreugde. De soldaten worden onthaald op eten en drinken. De bloemenmeisjes van Lissabon steken anjers in de lopen van de geweren van de opstandige soldaten. Een revolutie krijgt een naam: de Anjerrevolutie. ‘Er bestonden witte en rode anjers in die tijd. De bloemenverkoopsters gaven ze aan ons, net als de andere mensen die ons van alles aanboden: er was zelfs een vent met grote ham. De fotografen hechtten toen alleen maar waarde aan foto's met de rode anjers erop, omdat rood synoniem was voor links en binnen een zeker politiek kader paste,'volgens Salgueiro Maia. ‘De realiteit was echter dat er rode én witte anjers waren, maar de witte hadden alleen niet dezelfde betekenis.'

Voor kapitein Salgueiro Maia zit de dag er echter nog niet op. Hij stoot met zijn manschappen door naar de kazerne op het Carmo – een plein in de bovenstad van Lissabon – waar Marcelo Caetano, de opvolger van dictator António de Salazar, zich in een kazerne verscholen heeft, samen met zijn getrouwen. Het volk heeft bezit genomen van het plein en zingt keer op keer het volkslied, hiermee een rol voor zichzelf opeisend voor het welslagen van de staatsgreep. Salgueiro Maia wil onderhandelen en wordt toegelaten tot Caetano. Hij treft er een surrealisitisch schouwspel aan: ‘ik hoorde, terwijl het volk buiten nog een keer het volkslied aanhief, een vreemd geluid als van een huilend kind: het waren minister Moreira Baptista en Rui Patrício die leden aan aanvallen van hysterie en huilden als twee kinderen. Ze stonken naar het angstzweet. De eerste-minister was de enige aanwezige die een zekere waardigheid bewaarde, hij zag bleek, hij moest geschoren worden, zijn das hing op half elf.'
Salgueiro Maia vraagt Caetano om zich onvoorwaardelijk over te geven. Caetano ziet in dat verder verzet geen zin meer heeft: ‘Ik weet al dat ik niet meer regeer, Ik verwacht alleen dat jullie mij met dezelfde waardigheid zullen behandelen als waarmee ik altijd geleefd heb.' Om half acht ‘s avonds geeft Caetano zich over aan generaal Spínola, de man die hij een maand eerder nog van zijn post als opperbevelhebber ontheven had. Hiermee komt een einde aan een dictatuur die bijna vijftig jaar duurde. Het Portugal van Salazar – de Estado Novo - gaat roemloos ten onder. Binnen een dag...

De Anjerrevolutie valt binnen een Portugese traditie van coups en tegencoups. Een politiek systeem dat zichzelf overleefd had en niet meer aan de eisen van de tijd voldeed, werd door middel van een door het leger uitgevoerde staatsgreep vervangen, meestal zonder veel bloedvergieten. Ook het Portugal van Salazar was indirect het resultaat van een staatsgreep: in 1926 maakten militairen een einde aan het democratische experiment van de Eerste Republiek. Zo werd in 1928 de weg vrij gemaakt voor de econoom Oliveira de Salazar die eerst de economie naar zijn hand zette en daarna het hele land in een conservatief-katholieke wurggreep hield.
De burgerlijke oppositie had weinig tegen Salazar in te brengen. ‘De middelen van de oppositie waren meer folkloristisch van aard dan iets anders. Op welke niveau's bestond er oppositie? De intellectuelen konden hooguit in tijdschriften als Seara Nova tussen de regels door enige zaken aan de kaak stellen. Behalve Seara Nova en het dagblad A República was er niets: uiteindelijk had je dus alleen maar deze paar bladen met een zekere capaciteit om mensen te mobiliseren, maar ja wie las er nu A República? een half dozijn mensen en Seara Nova werd zelfs nog door minder mensen gelezen,'aldus kapitein Salgueiro Maia
Het was dus duidelijk dat een omwenteling wel van de kant van het leger moest komen. Eerdere couppogingen door het leger gepleegd, zoals door de minister van Defensie generaal Botelho Moniz in 1961, waren echter nooit succesvol geweest.
In 1961 braken de koloniale oorlogen uit toen de Angolese bevrijdingsbeweging MPLA een aanval uitvoerde op de gevangenis van Luanda. Portugal moest een oorlog op drie oorlog voeren; tienduizenden beroepsmilitairen en dienstplichtigen voeren richting Guinee Bissau, Angola en Mozambique. In tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt verliep de strijd in jaren zestig gunstig voor het land en de migratie van honderdduizenden Portugezen naar de koloniën stimuleerde de economie.
Maar eind jaren zestig verslechterde de situatie echter voor de Portugese troepen. Het was duidelijk dat het geheim achter de militaire successen van de vrijheidsstrijders lag in de steun die ze van de plaatselijke bevolking kreeg. Als gevolg hiervan onstond er onder de lagere officieren een politiek bewustwordingsproces: men vroeg zich af voor wie ze eigenlijk oorlog voerden, wat het doel van de zich voortslepende oorlog was. Toen bleek dat de regering niet van plan was om tot een politieke oplossing te komen, bijvoorbeeld door te gaan onderhandelen met de bevrijdingsbewegingen over een mogelijke stichting van een gemenebest, vonden in Guinee in mei 1973 de eerste bijeenkomsten plaats van verontruste officieren. Deze vergaderingen zouden later uitgroeien tot de Beweging van de Kapiteins. De invloed van de dienstplichtige officieren – veelal studenten uit Coimbra die hadden geparticipeerd in de studentenopstand van 1969 – op het politieke bewustwordingsproces achtte Salgueiro Maia ‘gering in tegenstelling tot wat verscheidene auteurs beweren over de mogelijke invloed van de miliciens, hun invloed was minimaal.'
De ineenstortende economie, het uitblijven van hervormingen, de verloren oorlogen in Afrika en een conflict over de promotiekansen van beroepsofficieren die zich door de komst van dienstplichtige officieren in hun carrière bedreigd zagen, leidden ertoe dat de kapiteins besloten om een einde te maken aan het bewind van Caetano.
Na de publicatie van het boek Portugal e o Futuro – Portugal en de toekomst – waarin opperbevelhebber António de Spínola kritiek leverde op de voortzetting van de koloniale oorlogen en pleitte voor een soort Portugees gemenebest, wist ook Caetano dat ‘de staatsgreep onvermijdelijk zou zijn'. De kapiteins bereidden een coup voor met kapitein Otelo Saraiva de Carvalho als het brein achter de opstand en Salgueiro Maia als verantwoordelijke voor de uitvoering ervan.
Toen op 24 april om 22.55 het lied ‘E depois do Adeus' door de radio uitgezonden werd, troffen de samenzweerders de laatste voorbereidingen voor de volgende dag – de dag van de staatsgreep. Het wachten was nog op het definitieve ja. Dat werd gegeven door het draaien van het door José Alfonso – de troubadour van de oppositie –gezongen ‘Grândola Vila Morena' door Radio Renascença. Het was twintig over twaalf, 25 april. De revolutie was begonnen: de troepen verlieten hun kazernes, een terugweg was er niet…

Voor enkele Nederlandse gezagsdragers kwam de Anjerrevolutie trouwens ook niet geheel onverwachts. De directeur van de Lisbonese scheepswerven - vriend van generaal Spínola - lichtte tijdens een bijeenkomst op 19 april in Megevè van de Bilderbergconferentie de vertegenwoordigers van het mondiale grootkapitaal in over de op handen zijnde couppoging. Besloten werd om de ontwikkelingen af te wachten met in het achterhoofd het idee dat een politieke omwenteling op den duur zou kunnen leiden tot een echte vrije markteconomie in het corporatief geleide Portugal waar economische hervormingen tot nu toe maar mondjesmaat doorgevoerd waren.
Prominente gast op deze editie van de Bilderbergconferentie – troetelkindje van Prins Bernard – was de Secretaris-Generaal van de NAVO, Josef Luns. Luns had er in het verleden geen geheim van gemaakt dat hij het Portugal van Salazar – tenslotte ook een NAVO-partner – steunde. Als minister van Buitenlandse Zaken stelde Luns in 1959, op instigatie van de Portugese ambassadeur, alles in het werk om generaal Humberto Delgado, de man die als oppositiekandidaat de Portugese presidentsverkiezingen van 1958 gewonnen had, buiten de deur te houden. Toen het Luns niet lukte om Delgado de toegang tot Nederland te verbieden, nam hij zijn toevlucht tot het opleggen van een spreekverbod, dat echter op aandringen van de PvdA weer werd ingetrokken. Nog tot diep in de jaren zestig probeerde Luns elke activiteit van de Portugese oppositie in Nederland de kop in te drukken.
Ergens moet Luns ingezien hebben dat het steunen van een in zijn voegen krakend, totaal achterhaald, archaïsch bewind weinig zin meer had. Ook Nederland werd geconfronteerd met het falen van de Portugese koloniale politiek: duizenden Portugese jongemannen zochten hun heil in Nederland om maar niet als dienstplichtig soldaat naar de koloniën gestuurd te hoeven worden. De harde lijn van de Portugese regering ondermijnde de stabiliteit van de NAVO en speelde de wereldwijde verspreiding van het communisme in de kaart. Luns deed dan ook niets om zijn vrienden in Lissabon te waarschuwen voor de op handen zijnde militaire opstand. De aanwezigheid van Luns tijdens de Bilderbergconferentie heeft er waarschijnlijk zelfs aan bijgedragen dat de NAVO besloot om de ontwikkelingen maar eens af te wachten: toen de staatsgreep in volle gang was, stak, een voor de kust van Lissabon oefenend, NAVO eskader geen vinger uit om Caetano te helpen.

De omwenteling in Portugal werd in Nederland met veel gejuich ontvangen. De publieke opinie was door de komst van de stroom politieke vluchtelingen in de jaren zestig en de berichtgeving in de Nederlandse media over de koloniale oorlogen in Afrika al verschoven ten gunste van de Portugese oppositie. De vluchtelingen stelden de Nederlandse regering echter wel voor een probleem; ze waren tenslotte afkomstig uit een bevriende natie, een NAVO-bondgenoot zelfs. Om diplomatieke strubbelingen te vermijden – politieke vluchtelingen opnemen uit een bevriend NAVO-land was onmogelijk - creëerde de regering de B-status waardoor de gevluchte Portugezen op humanitaire gronden asiel kregen.
De Portugese politieke activisten richtten allerlei groeperingen op om de strijd tegen het Salazarisme voort te zetten. Maar een deel van de activiteiten bestond ook uit het bestrijden van elkaars politiek gedachtengoed. En dat ging niet altijd goedschiks: soms werden er onderling zelfs rake klappen uitgedeeld. De APA, de Amsterdamse Portugese Vereniging, is een van deze, nog altijd bestaande, organisaties en staat tot op de dag van vandaag in Portugal bekend om de actieve rol die ze gespeeld heeft in het verzet tegen de dictatuur.
Ook Nederlandse linkse intellectuelen hebben zich ingezet voor ‘de bevrijding van het onder het fascistisch juk lijdende bevolking'. Portugezen en Nederlanders verbroederden zich onder andere in groeperingen als de werkgroep Tulipa Vermelha – de Rode Tulp – die in 1971 werd opgericht met ‘als taak de strijd van de Portugese antifascisten te ondersteunen en aan deze strijd bekendheid te geven'
Sietse Bosgra en zijn Angola comité – opgericht in 1961 en toen nog niet met een K geschreven – publiceerden het tweemaandelijks verschijnende Angolabulletin met een speciale rubriek gewijd aan de politieke situatie in Portugal. Bovendien schreef Bosgra samen met Chris van Krimpen in 1971 het werkje Portugal en de NATO. Uitgeverij de Bezige Bij deed ook een duit in het antifascistische zakje door de uitgave van een door Bertus Dijk samengestelde poëziebundel Terreur en Verzet, Verzetspoëzie uit Portugal met vertaalde bijdragen van onder andere de latere Nobelprijswinnaar voor de Literatuur José Saramago, het latere parlementslid voor de Partido Socialista Manuel Alegre, schrijver Miguel Torga, vrijmetselaar en ambassadeur José Augusto Seabra en de schrijfster Sophia de Mello Breyner.

Het Nederland van Joop den Uyl stond te springen om mee te helpen om de Anjerrevolutie tot een succes te maken. Jonge linkse intellectuelen verdedigden de revolutie door op de door de communisten - na nationalisatie van grote en middelgrote boerenbedrijven - opgezette landbouwcoöperaties in de Alentejo te gaan werken. De Socialistische Internationale met Willi Brandt en Joop den Uyl voorop, namen de PS van Mário Soares onder hun hoede. Onder het motto ‘Houd Portugal Vrij' organiseerden de PvdA en de Vara in januari 1975 een solidariteitsactie voor het Portugese volk met als doel geld in te zamelen voor de PS. Soares werd als een held ontvangen en op de Dam toegejuicht door duizenden sympathisanten. De Vara haalde tijdens een avondvullende bedelcampagne enkele miljoenen guldens op.
Kritiek op de revolutie was onmogelijk zoals de schrijver Rentes de Carvalho tot zijn schande moest ondervinden. Zijn boek Portugal, de bloem en de sikkel – een boek trouwens over de gehele geschiedenis van Portugal – werd gehekeld door revolutionair Nederland.

We zijn nu dertig jaar verder. De Anjerrevolutie behoort definitief tot het verleden en is uit het collectief geheugen van goedwillend links Nederland verdwenen. Na een periode van twee jaar van revolutionaire woelingen kwam Portugal in politiek stabieler vaarwater terecht en werd daarvoor in 1986 beloond met het lidmaatschap van de Europese Unie. Idealen zijn vervlogen, een organisatie als de Tulipa Vermelha verschrompelde tot het rudimentaire Tulipinha – het Tulpje. Geen één Nederlander zet zich nog in voor het wel en wee van de paar overgebleven landbouwcoöperaties.
Toch heeft Nederland onbedoeld bijgedragen aan de naamgeving van de staatsgreep die voor altijd zal voortleven als de Anjerrevolutie: de anjers die de bloemenmeisjes in de lopen van de geweren van de soldaten staken – rode én witte - kwamen uit Aalsmeer.

De citaten van kapitein Salgueiro Maia zijn afkomstig uit een nooit eerder gepubliceerd interview afgenomen in 1991 in het kader van een oral history-project van het Centro de Documentação 25 de Abril da Universidade de Coimbra. De citaten mochten voor deze ene keer gepubliceerd worden met dank aan Natércia Coimbra van het Centro de Documentação 25 de Abril. Salgueiro Maia stierf in 1992 vroegtijdig aan kanker.