Amália Rodrigues (1920-1999)

Keizerin van de fado

Amália da Piedade Rodrigues kwam volgens de burgerlijke stand van Lissabon op 23 juli 1920 - hoewel die datum niet zeker is, zelf hield ze het op 1 juli - ter wereld, in de Pátio Santos, dichtbij de Rossio in Lissabon, in Beira Baixa. Tot haar veertiende leefde ze bij haar grootouders. Haar vader was een joodse ondernemer zonder veel geluk in zijn zaken. Haar moeder had Spaans bloed. De familie behoorde tot de economische onderlaag van de Beira Baixa, de volksbuurt van Lissabon.
Reeds als jong meisje moest Amália werken voor de kost. Ze verkocht samen met haar zuster Celeste fruit op straat en deed samen met haar moeder de was voor de hoge dames en heren uit de chiquere buurten van de stad, die hun vuile kleren graag naar oud gebruik zagen gewassen in de rivier. Daar, aan de boorden van de Taag, leerde Amália zingen. De Spaanse afkomst van moeder Rodrigues klonk in de stem van haar dochter door. Amália kon niet alleen vloeiend Spaans zingen maar wist ook nog eens de allerdiepste registers van de flamenco aan te roeren - zodanig dat meer patriottisch ingestelde landgenoten haar in het begin van haar carrière nog wel eens verweten te veel ‘espanhola' in haar fado's te verwerken.
Als amateur-fadiste treedt Amália aanvankelijk op onder de naam Amália Rebordão, gebruikmakend van de roem als bokser van haar broer Filipe Rebordão. In 1938 schrijft ze zich in voor een amateur-fado-concours Rainha do Fado (‘Koningin van de fado ‘),maar slaagt er niet in om daadwerkelijk mee te doen, omdat ze teveel deelneemsters weigeren op te treden als Amália ook meedingt. Ze ontmoet gitarist Francisco da Cruz, haar eerste grote liefde. In juli 1939 maakt ze haar debuut in de befaamde fado-bar O Retiro da Severa, vernoemd naar de legendarische zangeres Severa, die eind negentiende eeuw met haar fado's de hoge heren van de stad aan haar voeten had gekregen.
Severa wordt beschouwd als de vrouw die de fado van Lissabon - geboren aan de grootstedelijke zelfkant tussen hoeren en de pooiers, opiumschuivers en bohémiens - doorgaf aan de hogere klassen. Amália wordt haar erfgename. Ze treedt altijd op met een zwarte doek, ter herinnering aan haar mythische voorgangster en vertolkt het leven van Severa in een succesvolle musical.
In 1940 trouwt ze met gitarist Francisco da Cruz. Het huwelijk houdt slechts twee jaar stand - Francisco zou er niet tegen kunnen om in de schaduw van zijn steeds beroemdere vrouw te staan. Ze treedt veel op in revues. In 1942 ontmoet ze componist Frederico Valério, die haar eerste grote successen voor haar zal schrijven, zoals Ai Mouraria.
In 1943 treedt ze voor het eerst op in het buitenland, in Madrid. In 1944 staat ze aan de zijde van de grote fado-diva Hermínia Silva in de musical Rosa Cantadeira. Datzelfde jaar treedt ze op in Rio de Janeiro, in het Casino de Copacabana, waar ze bijna een jaar zal blijven. In Brazilië neemt ze haar eerste platen op voor de maatschappij Continental, acht in totaal, waaronder "Ai, Mouraria".
In 1947 volgt haar debuut op het witte doek. De film Capas Negras - over een fadiste in Coimbra - breekt alle nationale Portugese bioscooprecords. Daarop volgt . Fado - História de Uma Cantadeira, dat volgens regisseur Perdigão Queiroga is geïnspireerd is op Amália's eigen levensverhaal, wat de zangeres in alle toonaarden ontkent.

Ze viert triomfen in Spanje, Brazilië, de Verenigde Staten en Latijns-Amerika. Haar nummer 'April in Portugal' wordt een hit in Amerika. Amália's succes is zodanig dat dictator Salazar haar tot ‘Patrimonio de Estado' uitroept, bezit van de staat. Iets dergelijks zou later ook Benfica-ster Eusébio overkomen, die Amália als zijn ‘tweelingszus' beschouwde.
Amália beperkt zich niet tot de fado. In Brazilië neemt ze bossanova-muziek op, in New York experimenteert ze met big bands en jazz, ze brengt zelfs Japanners in vervoering met haar vertolkingen van Japanse evergreens.
In de jaren zestig, als ze met groot succes een tournee maakt door Oost-Europa en ook Libanon in vervoering brengt, verricht Amália haar grootste artistieke daden. Ze werkt samen met de beste dichters en componisten van Portugal. 'Ik ben maar een eenvoudige vrouw, ik weet niets, ik hou alleen maar van sieraden', zegt ze zelf, maar ze weet ook op poëziegebied te imponeren met door haar zelf geschreven fado-teksten als 'Estranha forma da vida' (Vreemde vorm van leven) en ‘Lavava no rio, lavava' (‘Ik heb in de rivier gewassen'.
In 1954 treedt Amália op in Hollywood. Ze verzorgt ze een optreden in de populaire tv-show van Eddy Fisher op NBC. In de VS neemt ze haar eerste LP op, getiteld Amália Rodrigues sings fado from Portugal and flamenco from Spain. In eigen land wordt de plaat nooit uitgegeven. Barco negro, haar eerste grote internationale succes, is een bewerking van het Braziliaanse lied Mãe preta (zwarte moeder) , over een zwarte vrouw die de kindertjes van de blanke plantagehouder liefdevol aan de borst neemt, maar ondertussen moet toezien hoe haar eigen kind met de zweep wordt afgeranseld door dezelfde patroon. Het is een lied dat fel stelling neemt tegen het racisme. Amalia, gegrepen door het lied, krijgt het ook niet voor elkaar dat Mãe Negra in Portugal ongecensureerd op de markt komt. In plaats daarvan moet er een minder polemische versie voor het thuisfront worden gemaakt. Barco Negro, zoals de door David Mourão-Ferreira geschreven nieuwe versie heet, gaat niettemin door merg en been, niet in de laatste plaats door de felle uitroep die Amália aan het slot van de klaagzang doet: ‘São loucos, são louccos'(ze zijn gek).
Amália zingt het lied in de film Les Amants du Tage van Henri Verneuil uit 1955, waarna ze naar Parijs gaat om het Olympia plat te zingen. Samen met Edith Piaf treedt ze op in de film Toujours la Musique.

In 1961 treedt Amália in Rio de Janeiro in het huwelijk met de Braziliaanse ingenieur César Seabra. Ze maakt kennis met Vinicius de Morães, de befaamde tekstdichter van Rio de Janeiro, vooral bekend vanwege A garota da Ipanema (1962). Onlangs werd een opname van een sessie van Amália en het Braziliaanse genie op cd uitgebracht.
In 1962 volgt haar album Amália Rodrigues. Het is een artistieke doorbraak. ). Op de plaat zingt Amália op muziek van de jonge Franse componist Alain Oulman gedichten van de nationale Portugese dichter Luis Camões. Het zorgt dat voor een nationale rel. De fado-puristen vinden dat Amália literaire blasfemie bedrijft en zich aan de klassieke fado's dient te houden De Camões-bewerkingen van Oulman - zoals het wonderschone Erros meus, mijn vergissingen - zijn zonder meer een artistiek hoogtepunt in Amalia's rijke loopbaan.. ‘Camões zelf zou het misschien afwijzen', meende Amália zelf. ‘Maar ik zing zijn gedichten omdat ik ze mooi vind. Gedichten zijn er niet om in de boekenkast te staan, gedichten zijn er om gezongen te worden. Dichters horen bij het volk en ik ben van het volk'.
In 1969 treedt Amália voor het eerst op in de Sovjet-Unie. In Cannes ontvangt ze drie keer achter elkaar de MIDEM-prijs voor de best verkochte artiest in eigen land, wat alleen de Beatles evenaren. De plaat "Vou Dar de Beber à Dor" breekt in 1970 alle verkooprecords in Portugal. Uit handen van de Portugese president Américo Thomaz ontvangt ze de Militaire Orde van Santiago da Espada. De franse regering benoemt haar tot commandeur in de Kunsten en Letteren.
Weer in Brazilië, haar tweede vaderland, staat Amália in 1971 met groot succes op de planken van de Canecão in Rio de Janeiro met het op haar leven geënte liederenprogramma "Um Amor de Amália". In 1973 verrast ze het publiek met de lp Encontro, waarop ze wordt begeleid door de Amerikaanse jazz-saxofonist Don Byas.
In 1974 komt er opens een eind aan de triomfen. Na de Portugese revolutie verwijten revolutionaire heethoofden haar collaboratie met Salazar en diens opvolger Caetano. Ze zou zich hebben geleend als propagandamiddel van het regime. 'Ik weet dat ik me nergens voor hoef te schamen', verklaart Amália. ‘Het enige wat ik wilde was optreden. Ik had het applaus nodig als brood in de mond. Alleen op het podium voel ik me gelukkig' Maar de anti-propaganda doet zijn werk. Overal worden haar concerten afgezegd. In Frankrijk, Italië en Brazilië is Amália een tijd lang ineens niet meer welkom. Ze wordt ziek van de verwijten, komt met hartklachten in het ziekenhuis terecht.

‘Het woord ‘'justitie'' kreeg voor mij na 25 april een vreemde klank', vertelde ze aan haar biograaf Vitor Pavão. ‘Ik vind het vreemd dat mensen die in naam van het goede een revolutie beginnen, ten aanzien van mij zoveel kwaad begaan. En dat zonder redenen. Maar het ergste was niet wat men zei. Het ergst waren de mensen die het toelieten, zonder het voor me op te nemen. Niemand nam het voor me op. Mensen die al heel lang bij mij over de vloer kwamen, al die intellectuelen, al die dichters die verzen voor me schreven, mensen die me goed kenden en van wie sommigen later zelfs in de regering zouden komen, iedereen hield zijn mond, iedereen liet het gebeuren. Het was de agressie aan de ene kant en de stilte aan de andere kant die me toen zeer bedroefden'.
Diverse helden van de Anjerrevolutie nemen het voor Amália op. Legerleider Otello ontvangt haar met eerbewijzen. Socialistenleider Mario Soares neemt haar in bescherming.. Amália neemt liederen op van José Afonso, de muzikale held van de revolutie, inclusief diens Grandola villa Morena, de hymne waarmee de Portugese revolutie in gang werd gezet.
Voor de lp Gostava de ser quem era ('Ik zou willen zijn wie ik was') schrijft ze voor het eerst alle teksten zelf. In 1983 verschijnt Lagrima ('Traan'), misschien wel haar meest gevoelige werk. Direct daarop vertrekt Amália naar New York, met het vaste voornemen zelfmoord te plegen. Er is een gezwel achter haar oor ontdekt. Ze wil niet verder leven. 'Er werd geklapt voor mijn fado's, maar niemand zag de tranen waaruit die kwamen', vertelt ze later. Naar eigen zeggen wordt ze gered als ze in haar Newyorkse hotelkamer op televisie een film ziet met Fred Astaire. De levenslust die van de danser afstraalt, brengt Amalia weer tot leven. Ze vecht met succes tegen haar ziekte en viert haar herstel in 1984 de lp Na Broadway, een ode aan de muziek van Gershwin en Rodgers & Hammerstein.
Amália heeft alles gegeven toen ze zich eind jaren tachtig van de bühne terugtrekt. Tijdens de EXPO '98 in Lissabon treedt ze nog een keer op, waar ze door ex-president Mario Soares wordt geridderd. Ze sterft op 7 oktober 1990, op 79-jarige leeftijd. Haar kleedster Ilda Aleixo, die 32 jaar bij Amália woonde, vindt haar 's ochtends dood in de badkamer. Als het nieuws bekend wordt vindt er een ware stormloop plaats op het huis aan de Rua São Bento. Amáloa wordt begraven op de begraafplaats Prazeres in Lissabon, maar een jaar later op last van president Sampaio plechtig herbegraven in het Nationale Panthéon van Lissabon.Velen vonden het niet gepast om Amália weg te halen van de laatste rustplaats die ze zelf had gekozen. Daar ligt Amaliá nu onder meer samen met generaal Humberto Delgado, de aartsvijand van Salazar die in 1965 op last van de dictator in Spanje werd geliquideerd.

Amalia's levensverhaal werd in 2000 door Filipe de la Féria bewerkt tot de populairste Portugese musical aller tijden. Reeds 500.000 mensen trok de fadomusical Amália, die anno 2003 nog steeds op de planken staat. La Féria baseerde zijn spektakelstuk op de biografie van Vitor Pavão dos Santos. De inktzwarte beschuldigingen uit de tijd van de Anjerrevolutie keren ook in de voorstelling terug, maar worden op adequate wijze weerlegd, hetgeen door het publiek met een ruimhartig applaus wordt beloond. De Amália-musical is een soort hoogmis van de fado geworden en de ongekende kassakraker zal binnenkort beginnen aan een mondiale tournee.

Haar huis aan de Rua São Bento in Lissabon is nu museum. Het vier verdiepingen tellende pand is slechts gedeeltelijk opengesteld voor publiek, maar de Amália-liefhebber wordt zeker niet teleurgesteld. Naast de indrukwekkende verzamelingen schoenen en jurken van de ‘Maria Callas van de fado' biedt de rondleiding onder meer een grote collectie erekruizen en ridderorden die de zangeres tijdens haar meer dan vijftig jaar beslaande carrière kreeg uitgereikt.. Tussen de trofeeën ontwaren we onder meer het Spaanse erekruis van Isabella de Katholieke Koningin, uitgereikt vanwege haar ‘verdiensten voor het Spaanse lied'.