De vergeten Vlamingen van de Azoren

De 16de eeuwse Nederlandse auteur en reiziger Jan Huygen van Linschoten (1563-1611) zou anno 2007 weinig moeite hebben om zijn weg op Terceira, een van de eilanden van de Azoren, terug te vinden. Met zijn befaamde kaart van het eiland en haar hoofdstad Angra do Heroísmo in de hand zou hij elke straathoek in het oude centrum van Angra herkennen; in al die eeuwen is het stratenplan van het stadje niet noemenswaardig veranderd.

DOOR MENNO POSTMA

Ondanks aardbevingen en vulkaanuitbarstingen staan nog veel gebouwen overeind die Van Linschoten ook toen gezien moet hebben, zoals de kathedraal, het fort São Sebastião, het paleis van de vroegere gezagvoerders, kloosters en kerken. Zelfs de huizen zou hij, hoewel ze later vaak een andere gevel kregen, kunnen herkennen aan hun ligging én – mocht hij achter de gevels een kijkje mogen nemen – aan de gelijk gebleven indeling van de vaak fraaie panden. Saillant detail is dat Van Linschotens kaart nog altijd door archelogen gebruikt wordt om opgravingen te verrichten.

Het verblijf van Van Linschoten op Terceira was zeker niet door hem van te voren voorzien. Na een jarenlang verblijf in de Portugese kolonie Goa in India, waar hij werkte als secretaris van de lokale bisschop, besloot hij na de dood van zijn beschermheer naar zijn vaderland terug te keren. Een langer verblijf in Portugal – dat sinds enkele jaren tot de Spaanse Kroon behoorde – of een Portugese kolonie kon gevaarlijk zijn, zeker wanneer het ook nog om een Nederlander ging, die het een en ander wist over de Portugese en Spaanse zeeroutes naar India.
Als opvarende van een vloot van zes schepen, volgeladen met peper en andere specerijen, doorstond Van Linschoten niet alleen zware stormen, maar ook nog achtervolgingen door Engelse kapers. Na een reis van acht maanden zette hij op 24 juli 1589 voet op Terceira. Min of meer gedwongen bracht Van Linschoten tweeënhalf jaar op dit eiland door. Als ‘factoor van de peper des konings' diende hij toezicht te houden op een lading peper die was opgedoken uit het wrak van een van de schepen van de vloot waarmee hij reisde.
Dit gaf Van Linschoten de kans om, nadat hij het vertrouwen van gouverneur Cristovão de Moura had gewonnen, op Terceira tot twee keer toe vrijelijk rond te reizen. De informatie die hij verzamelde vond zijn weerslag in zijn beroemd geworden reisverslag Itinerario (1596), dat hij voor een groot deel op het eiland schreef. De kaart die hij van het eiland tekende droeg hij dan ook op aan De Moura: rechts bovenin graveerde hij het wapen van de gouverneur. Opvallend is dat hij vermeldt dat het hier om de ‘Azores ofte de Vlaemsche Eylanden' gaat. Sterker nog, in zijn Itinerario komt hij nog terug op het fenomeen van de Vlaamse eilanden. Hij refereert vol trots aan het feit dat de eerste inwoners van het eiland Faial afkomstig waren uit de de Lage Landen en dat hun nakomelingen nog duidelijk Nederlandse trekken vertonen qua uiterlijk en manier van doen. Het verhaal van een vergeten groep Vlamingen die op zoek ging naar een beter toekomst en die op de Azoren hoopte te vinden.

Wie de Azoren ontdekt heeft, bleef tot aan het begin van de vorige eeuw onduidelijk. Tot de vondst van een oude kaart uit 1439 uitkomst bracht. Deze kaart, getekend door de Catalaan Gabriel de Valsequa, gaf tot in het detail de eilandengroep weer. Maar wat belangrijker was: de legenda verhaalde over een zekere Diego, ‘piloto del rey de Portogall an lay MCCCCXXVII' (zeevaarder in dienst van de koning van Portugal in het jaar 1427). Nader onderzoek leerde dat deze Diego de zeeman Diogo de Silves was, die in dienst van de Portugese kroonprins Hendrik de Zeevaarder in 1427 de Azoren voor Portugal ontdekt had.
Al in de jaren veertig van de vijftiende eeuw werd begonnen met het bevolken van de eilanden, waarbij de Vlamingen een grote – hoewel bijna vergeten – rol zouden spelen. Dit gebeurde onder leiding van gezagvoerders die door de kroon waren benoemd en ieder een eiland onder hun hoede kregen. De demografische omstandigheden in Portugal lieten niet toe dat Portugezen massaal het continent verlieten om zich op de Azoren te vestigen. Ook de niet aflatende vulkanische activiteit en de onherbergzaamheid van de eilanden inspireerden niet tot een verblijf op de archipel. Hendrik de Zeevaarder zocht naar alternatieven en besloot buitenlanders te werven. Gezien de nauwe banden met Vlaanderen – al sinds de vroege middeleeuwen bestonden er handelscontacten tussen de beide gebieden – leek de keuze om Vlamingen te interesseren voor een toekomst op de Azoren gerechtvaardigd. De Portugezen hadden een factorij in Brugge, Vlaamse kooplieden woonden in Lissabon en Porto; contacten waren dan ook zo gelegd. Al snel werden de eerste Vlamingen tot gezagvoerder benoemd. Dat Jacob van Brugge, die enkele jaren koopman in Porto was, zich in 1450 gezagvoerder van het eiland Terceira mocht noemen, is dan ook niet vreemd. Er bestaat echter tot op de dag van vandaag twijfel over de echtheid, of zelfs over het bestaan, van het document waaruit blijkt dat Van Brugge Terceira toegewezen kreeg.
Volgens Maduro Dias, historicus en directeur van het Museum van Angra do Heroísmo, werd het eiland wel degelijk aan Van Brugge in beheer gegeven. 'In een tijd van analfabetisme hechtten de mensen veel waarde aan een gelofte en gold een handdruk als een bezegeling van een afspraak', aldus Dias. 'We kunnen er dus van uitgaan dat Van Brugge legitiem tot gezagvoerder benoemd werd, mét of zonder document.'

Een van de voorwaarden tot benoeming was de verplichting om het toegewezen eiland te bevolken door mensen die het Katholieke geloof aanhingen. Van Brugge slaagde hier in ieder geval niet in: in 1460 bleek Terceira, op een paar verdwaalde zielen na, volledig onbewoond en van de gezagvoerder zelf ontbrak ook elk spoor.
Niet alle Vlaamse bewindvoerders gedroegen zich zo. Willem van der Haegen, gezagvoerder op het eiland São Jorge, probeerde met een groep mede-Vlamingen de vruchtbare bodem van het vulkanische gebied te ontginnen en geschikt te maken voor landbouw. Helaas sloegen de zware winterregens de aarde weg waardoor al het werk voor niets was. Het leven op de eilanden was niet makkelijk. Het is dan ook niet verwonderlijk dat een andere Vlaming, Joost de Hurtere, die in 1468 bewindvoerder werd over het eiland Faial en in 1484 over Pico, zijn toevlucht zocht tot een list. Om mensen te werven beloofde hij gouden bergen, bijna letterlijk: er zouden allerlei kostbare metalen, waaronder zilver en tin, voor het oprapen liggen. Groot moet de teleurstelling geweest zijn toen na een jaar zoeken nog steeds geen spoor gevonden was van de beloofde rijkdommen. Het kwam zelfs tot een opstand en De Hurtere vluchtte naar Lissabon. Hij trouwde een Portugese hofdame en keerde met een contingent Portugezen naar Faial terug om de opstand te onderdrukken.
Hoeveel Vlamingen precies naar de Azoren zijn geëmigreerd, is niet bekend. Volgens historicus Maduro Dias hebben zo'n 1500 Vlamingen de oversteek gewaagd. ‘Maar de schattingen lopen nogal uiteen omdat de Portugese historici er belang bij hebben om op een lager getal uit te komen, terwijl de Vlaamse historici juist het aantal Vlamingen hoger inschat om het aandeel van de Vlamingen in de geschiedenis van de Azoren belangrijker te maken,' zo voegt hij eraan toe.
De Vlamingen vestigden zich vooral op de centrale eilandengroep – Terceira, Faial en S. Jorge – en tot op de dag van vandaag kan aan de hand van plaatsnamen afgeleid worden waar ze gewoond hebben, zoals in het geval van het dorp Flamengos. De hoofdstad van Faia, Hortha, is een afgeleide van De Hurtere. Op deze eilanden legden de Vlamingen zich vooral toe op de verbouw van wede waarvan een blauwe kleurstof gemaakt werd voor het verven van stoffen, en dus belangrijk was voor de Vlaamse lakenindustrie.

Wat er ook overgebleven is van de Vlaamse aanwezigheid op de Azoren, in ieder geval niets van de Vlaamse taal. Van Linschoten geeft al in zijn Itinerario aan dat de Vlamingen zich snel hadden aangepast en zich het Portugees eigen hadden gemaakt. Het Vlaams was zelfs al voor 1507 verloren gegaan toen Valentim Fernandes, alias 'o Alemão', een Portugees van Duitse afkomst, in een boek voor de Portugese koning schreef dat het Vlaams als gesproken taal op de Azoren uitgestorven was.
Toch zijn er nog altijd sporen van de Vlaamse volksverhuizing op de eilanden terug te vinden, zelfs op de meest onverwachte plaatsen waar opeens een Vlaamse molen opdoemt. Ook werden er kerkelijke gebouwen gesticht door de eerste Vlaamse gezaghouders. Van Brugge mag dan weinig hebben gedaan om Terceira te bevolken, in het plaatsje Praia da Vitória werd door hem wél de hoofdkerk van het oord gebouwd. De kerk heeft nog duidelijk laatgotische Vlaamse stijlinvloeden en bezit een Vlaams heiligenbeeld van S. Cosme. Met name in de beeldhouwkunst tot 1580 komt de Vlaamse achtergrond van veel Azorianen tot uiting. Veel Vlaamse landverhuizers namen heiligenbeelden van thuis mee die als voorbeeld dienden voor op de Azoren gemaakte exemplaren. Bovendien werden er nog vaak beelden in Vlaanderen ‘besteld' dat internationaal faam genoot op dat gebied. In allerlei musea op de eilanden behoren Vlaamse beelden, naast Vlaamse dekenkisten en allerlei gebruiksvoorwerpen tot de vaste collectie. Topstuk is wel een schilderij van de stad Brugge.
Langzaam maar zeker gaat er helaas steeds meer verloren van het Vlaamse erfgoed. Branden en aardbevingen hebben weinig heel gelaten van wat nog herinnerde aan de Vlamingen. Maar er is één troost; nog steeds wonen er mensen op de Azoren die een – hoewel verbasterde – Vlaamse achternaam hebben. Zo werd Van Brugge De Bruges en Van der Haege Da Silveria.
En zoals ik zelf mocht ervaren, abstracte begrippen als namen kunnen opeens een wel zeer realistische invulling krijgen. Tijdens mijn bezoek aan het wijnmuseum van Biscoitos (overigens de Portugese naam voor het aloude scheepsbeschuit) stond ik plotseling oog in oog met een blauwogige, blondharige afstammelinge van de familie De Hurtere. De eigenaresse van het museum luisterde naar de naam Dutra, een verbastering van Van de Hurtere, en kwam oorspronkelijk van het eiland Faial. Dat het hier gaat om een kleine enclave van uit de Lage Landen afkomstige bewoners van Terceira, bleek wel uit de naam van haar echtgenoot, Brum, een afgeleide van Van der Bruyne! Zijn familie emigreerde al rond 1460 naar de Azoren. Historisch onderzoek door Maduro dias heeft uitgewezen dat deze van familie oorspronkelijk uit Maastricht afkomstig is. Het vermoeden lijkt gerechtvaardigd dat de ‘Brums' met de door Van der Haege in 1467 georganiseerde emigratiegolf naar de Azoren afgereisd zijn. En zo wordt de vergeten Vlaamse Odyssee plotseling ook een beetje een Nederlandse aangelegenheid.