Interview fadodiva Mariza

'Ik blijf een eenvoudige zangeres uit Lissabon'

De Portugese fadodiva Mariza werd onderscheiden met prestigieuze Europese prijzen. De wereld herontdekt het levenslied van Lissabon. «Het is aan het volk te danken, en niet aan de intellectuelen, dat de fado nog bestaat.» ""

DOOR RENÉ ZWAAP

LISSABON - Het recente verzoek van burgemeester Pedro Santana Lopes van Lissabon aan de Unesco om de fado tot «cultureel patrimonium van de wereld» te laten uitroepen, viel niet bij iedereen in even goede aarde. «Flauwekul», oordeelde fado diva Dulce Pontes. «De enige manier om de fado te bewaren is hem te blijven zingen.» De gelouterde fadozanger João Braga, evenmin enthousiast, wilde niets horen van het argument dat de fado evengoed recht heeft op bescherming van de Verenigde Naties als de tango, die al eerder tot cultureel erfgoed van de VN werd verklaard. Braga, niet zonder ironie: «Van de schrijver Jorge Luís Borges heb ik geleerd dat de tango een dans van hoeren is en van mannen die met andere mannen dansen, terwijl de fado een delicate en serieuze muzieksoort is, die ook als zodanig moet worden behandeld.»
De actie van het stadsbestuur was aanleiding voor een heuse fadoconferentie, Os Caminhos do Fado (de wegen van de fado), die maandag 16 februari in Lissabon werd gehouden in aanwezigheid van zo'n vijftig fadistas en fadocomponisten. De legendarische fado zanger Carlos do Carmo toonde zich wél voorstander van het inroepen van de Unesco. Alleen met een subsidie van de VN kan de grotendeels orale traditie van de fado voor het nageslacht worden vastgelegd voordat het te laat is, aldus Do Carmo. «Het is een zware taak, waarbij de medewerking van iedereen vereist is», zegt de grootste nog in leven zijnde fadozanger. Met de hulp van de Unesco moet onder meer het voornemen van de gemeente Lissabon worden verwezenlijkt om de grote, unieke collectie fadoplaten, -tijdschriften en -bladmuziek uit het begin van de twintigste eeuw van de Brit Bruce Mastin op te kopen (vraagprijs 1,2 miljoen euro).
Andere sprekers op het congres uitten vooral hun zorg dat de fado aan het begin van de 21ste eeuw aan het verwateren is. Componist Pedro Caldeira Cabral meende dat het al moeilijk is om te bepalen wat fado eigenlijk is: «Het muzikale geheugen van Portugal is kort. We moeten eerst ons eigen verleden leren kennen.» Collega-componist Tiago Torres da Silva vroeg vooral aandacht voor de grote namen uit het verleden die dreigen te worden vergeten en die worden overvleugeld door de nagedachtenis aan de vijf jaar geleden over leden Amália Rodrigues, de onbetwiste keizerin van de fado. «We leven allemaal met de erfenis van Amália», sprak Torres da Silva, «maar we vergeten dat er meer personen zijn geweest wier bijdragen belangrijk waren. We moeten op zoek gaan naar de testamenten die klaarliggen om door ons te worden geopend.»
Met enige zorg werd gesproken over de «nieuwe fado», die wordt aangelengd met wezensvreemde elementen als percussie, saxofoon en computersamples en wordt gekoppeld aan andere muziekstijlen. Zorgelijk werd gesproken van «een minderwaardigheids complex» bij de nieuwe generatie fadistas. Carlos do Carmo weigerde te spreken van een «nieuwe fado». «Het is de elasticiteit van de fado die hem groot maakt, en dat nader defi niëren zou hetzelfde zijn als praten over het seksleven van de engelen», zei hij.

Op het dak van hotel Chiado, met uitzicht over de Mouraría en Alfama, de twee oude volkswijken van Lissabon waar de fado in het begin van de negentiende eeuw voor het eerst van zich liet horen, ontmoet ik Mariza. De 34-jarige zangeres is zonder enige twijfel de bekendste fadista van de 21ste eeuw. Alom wordt ze de nieuwe Amália genoemd. Haar cd Fado em mim (Fado in mij) werd verleden jaar bekroond met de prestigieuze BBC-World Music Award. In januari kreeg ze in Cannes de al even belangrijke Cultural Boundary Breaker-prijs van de Europese Commissie, en de persvereniging van buitenlandse correspondenten in Portugal verkoos haar onlangs tot Portugese persoonlijkheid van het jaar. Het is een zware verantwoordelijkheid, vindt Mariza. «Plotseling gaan de mensen je met andere ogen bekijken. Opeens ben je een ambassadeur van het land en worden je woorden op een goudschaaltje gelegd. Maar ik blijf wie ik ben, een eenvoudige zangeres uit Lissabon.»
Misschien nog belangrijker dan het commerciële succes in de Verenigde Staten, Brazilië en Europa zijn de ongekende verkoop cijfers van haar nieuwste cd Fado curvo in eigen land. Waar fado door de jongere generaties Portugezen tot voor kort angstvallig werd gemeden als muziek voor opa's en oma's, wist Mariza met haar extravagante kleding, onorthodoxe punkkapsels, neogotische videoclips en spectaculaire, hyperintense optredens haar generatiegenoten te overtuigen van de actualiteit van het genre. Mariza houdt nu de ene na de andere wereldtournee en werkt ondertussen samen met de Portugese journalist Miguel Francisco Cadete aan een boek over de geschiedenis van de fado, dat eind dit jaar moet verschijnen, ook buiten Portugal.
Voor Mariza is fado dan ook veel meer dan omkijken in nostalgie. Het is, zo zegt ze, de uitlaatklep voor haar diepste emoties. Mariza: «Ik kan niets anders dan de fado zingen. Ik ben geboren in Mozambique, in Maputo, inderdaad, net als Eusébio, de grootste Portugese voetballer aller tijden. Mijn vader is Portugees, mijn moeder geboren in Mozambique. Ik was nog erg jong toen Mozambique in 1975 onafhankelijk werd en er een burgeroorlog uitbrak die maakte dat mijn ouders naar Portugal vertrokken. Ze openden een restaurant in de Mouraría, waar veel fado werd gezongen. Het restaurant was een pleisterplaats voor veel fado musici. Ik heb de fado dus met de paplepel ingegoten gekregen. Toen ik vijf jaar oud was, begon ik de fado te zingen. Het ging eigenlijk vanzelf. Mijn ouders zongen beiden niet, maar hielden wel erg van de fado.»
Toen Mariza in Lissabon opgroeide, was de fado in Portugal verre van populair, zeker bij de jongeren. Mariza: «Fado werd gezien als muziek van het oude regime, muziek die hoorde bij de tijd van dictator Salazar. Na de Anjerrevolutie van 25 april 1974 werd Amália Rodrigues beschuldigd van collaboratie met Salazar en diens opvolger Marcello Caetano. Volkomen onterecht in mijn ogen, want Amália had helemaal niets met politiek. Het enige wat ze had gedaan was zingen, want dat was haar lust en haar leven. Het is niet haar schuld dat de dictatuur haar zag als een ideaal cultureel exportproduct. Maar al die beschuldigingen maakten wel dat fado na de Anjerrevolutie volkomen uit de mode raakte. Amália werd uitgescholden voor fascist en kreeg in Portugal de eerste jaren na de revolutie nauwelijks meer emplooi. Intellectuelen keken diep neer op de fado en luisterden liever naar popmuziek, of naar de revolutionaire liederen van de musíca de intervenção die zeer politiek van aard waren. Voor fado was geen enkele belangstelling meer. Als van een fado-lp meer dan drieduizend exemplaren werden verkocht, werd al gesproken van een daverend succes. Alleen in de bars en de restaurants van Lissabon bleven de mensen de fado zingen. Zo wist de muziek toch te overleven. Het is dus aan het volk te danken, en zeker niet aan de intellectuelen, dat de fado vandaag nog bestaat.»

Dat mensen haar de nieuwe Amália Rodrigues noemen, beschouwt Mariza als een groot compliment: «Ik ben fadista, en in het pan theon van de fado bestaat geen hoger opperwezen dan Amália. Dus als mensen mij met haar willen vergelijken, is dat een hele eer. Maar ik ben Mariza, niet Amália, en ik heb mijn eigen weg te gaan. Ik kan niet alleen maar fado's van Amália blijven zingen, zoals veel mensen misschien graag zouden zien. Op mijn laatste cd is maar één fado van Amália te horen, Primavera, dat wel meteen mijn lievelingslied is geworden. Mijn uiteindelijke doel is de grenzen van de fado op te schuiven. De fado moet zich vernieuwen, al gruwen de puristen daarvan. Wat zich niet vernieuwt, is gedoemd te sterven. Ik wil mijn eigen koers varen en daarvoor moet ik ten eerste onafhankelijk zijn. In dat laatste ben ik in ieder geval geslaagd. Op mijn laatste cd zing ik niet alleen fado's, maar ook Menino do bairro negro (Jongen uit de zwarte wijk - rz) van José Afonso, de protestzanger uit Coimbra die de grondlegger is van de moderne Portugese muziek.»
Net als Amália leeft Mariza om op het podium te staan. «Dat begon al vroeg. Van leren kwam nooit veel. School was voor mij een vrijetijdsbesteding», zegt ze. «Ik begon al vroeg te zingen in groepen, maar als ik dan aan een fado begon, dachten mijn collega-muzikanten dat ik gek geworden was. In die tijd was de moderne Braziliaanse muziek van Caetano Veloso en Gilberto Gil in Portugal erg in de mode, dus ik begon met het zingen van dat soort werk. Begin jaren negentig nam ik puur voor mijn eigen plezier en van mijn eigen geld een cd met fado's op. Daar zat absoluut niemand op te wachten en ik maakte me ook geen enkele illusie dat het iets zou opleveren, laat staan dat ik ervan zou kunnen leven. Ik begon ook fado te zingen, vooral in het buitenland, Engeland, Frankrijk en ook Nederland. Dat was meer vakantie dan werk. Maar in Nederland ontmoette ik een vertegenwoordiger van een Nederlandse muziekmaatschappij, World Connection te Amsterdam, die wel iets in mijn fado's zag en graag een fado-cd van mij wilde uitbrengen. Zo is het allemaal begonnen en vandaar dat Nederland een aparte plek inneemt in mijn hart. Als ik in Nederland optreed, verbaas ik me er telkens weer over hoe het publiek de fado haarfijn aanvoelt, hoe goed de mensen zijn ingewijd. Toen ik in Noorwegen optrad, bekeken de mensen me alsof ik van een andere planeet kwam. Ze hadden wel een enorme nieuwsgierigheid naar de fado, maar hadden geen idee wat het inhoudt. In Nederland is die bodem al lang gelegd. Misschien heeft het ermee te maken dat de geschiedenis van Portugal en Nederland behoorlijk parallel loopt. Beide zijn kleine, zeevarende landen met een groot koloniaal verleden. Misschien is die gedeelde vergane glorie de reden dat de Nederlanders die antenne hebben voor de fado.»

Over de culturele afkomst van de fado wordt in Portugal en de rest van de Portugees sprekende wereld nog altijd getwist. Volgens de traditionele leer werd de fado begin negentiende eeuw uitgevonden in Lissabon, alwaar de legendarische zigeunerin Severa met haar fado's de leden van de Portugese aristocratie naar de stegen en sloppen van Alfama en Mouraría trok. Musicologen beschouwen de fado als een fusie van de Moorse erfenis in Portugal met die van de Kelten en de Zuid-Franse troubadours. Er zijn echter ook dissidente duidingen, zoals die van de Braziliaanse etnoloog José Ramos Tinhorão, die in zijn in 1994 verschenen boek Fado, fim de um mito (Fado, eind van een mythe) zeer aannemelijk maakt dat de fado begon als dans van de Afrikaanse slaven in Brazilië en dat het genre pas in Lissabon tot verdere wasdom kwam. Tinhorão ontdekte in de archieven de eerste verwijzingen naar de fado als een van oorsprong Afrikaanse dans.
Mariza doet voor haar boek over de geschiedenis van de fado de laatste tijd veel onderzoek naar de herkomst van haar lievelingsmuziek. Ze is ervan overtuigd dat Tinhorão, wiens theorieën in Portugal grote polemieken in gang zetten, het bij het rechte eind heeft. Mariza: «Natuurlijk is de fado Afrikaans van oorsprong. Dat hoor je alleen al aan het ritme, dat je elders in Europese muziek niet aantreft. Toen ik pas in Brazilië was heb ik tussen alle feesten door nog wat onderzoek kunnen doen naar de fadocomponent in de traditionele muziek van Salvador de Bahia, de meest Afrikaans getinte stad van heel Brazilië. Het heeft me eens te meer van het gelijk van Tinhorão overtuigd. In die zin is het niet onterecht dat sommigen fado de eerste vorm van world music noemen, maar daar gruwen de fadopuristen in Portugal ook weer van.»
Dat de nieuwe Amália half Afrikaans is, kan als een morele overwinning voor het Tinhorão-kamp worden beschouwd. Tot nu toe heeft Mariza niet de tijd gevonden om terug te gaan naar Afrikaanse roots. Dat wil ze binnenkort wel doen, als ze voor het eerst sinds 1975 weer naar Mozambique gaat. Het verzoek van de BBC-televisie om van die reis een documentaire te maken, legde ze naast zich neer: «Deze reis is te belangrijk voor mezelf, het is privé. Er zijn vele geluiden en geuren uit mijn vroegste kindertijd die ik wil terugvinden. Bovendien heb ik er zeventien broers die ik allemaal weer moet leren kennen.»
© RENÉ ZWAAP / De Groene Amsterdammer