Home > artikelen > Camões en Slauerhoff: een zielsverwantschap
artikelenLiteratuurPortugal

Camões en Slauerhoff: een zielsverwantschap

Met de integrale vertaling door Arie Pos is Os Lusíadas, het hoofdwerk van de nationale dichter van Portugal Camões, dan eindelijk ontsloten voor het Nederlandse publiek. Wie was de man van wie Slauerhoff zich een reïncarnatie waande? 

Tekst  René Zwaap

Os Lusíadas, het oerboek van de Portugese literatuur, geschreven door Luíz Vaz de Camões, werd tot nog toe slechts eenmaal integraal in het Nederlands vertaald: in 1777 verscheen een vertaling in proza van de hand van LambartusStoppendaalPietersz. onder de titel De Lusiade. Heldendicht in x zangen, gebaseerd op de Franse prozavertaling van Vaquetted’Hermilly en Jean-François de la Harpe (17 76). Daarna werden slechts enkele korte fragmenten door Nederlandse dichters vertaald door onder meer Rhijnvis Feith, Conrad Busken-Huet, Willem Bilderdijk, Isaac da Costa en J.J.L . ten Kate. Daarnaast liet Slauerhoff zich inspireren door het leven en werk van Camões voor onder meer zijn grote roman Het Verboden Rijk. Er was kortom sprake van enig achterstallig onderhoud in de Lage Landen ten opzichte van de eenogige keizer van de Portugese poëzie. Met de integrale vertaling door Arie Pos, onder de titel De Lusiaden bij uitgeverij Veen verschenen, is deze lacune ruimhartig gevuld. Pos nam zich in 2000 samen met August Willemsen voor om deze Mount Everest van de vertaalkunst te beklimmen. Willsemsen is niet meer, maar Pos hield vol.  Nu het resultaat er ligt, past slechts bewondering. De strakke rijmschema’s van het origineel sneuvelden weliswaar in de vertaling, maar dankzij Pos is het nationale epos der Portugezen voor het eerst voor een breed publiek toegankelijk gemaakt.

Wie was Camões ?Slauerhoff vatte de turbulente biografie van de dichter heel bondig samen in het korte verhaal De laatste verschijning van Camões: ‘Geëxalteerd had hij de bloei en de stuiptrekkingen van een klein en pover rijk gezien als wereldschokkend en verheerlijkt in gedichten, zwaar van klank, maar even dwaas vergeefs als al het wapengekletter en kanongebulder. Daarna had hij nog de lafheid begaan op latere leeftijd terug te keren, hopend op de koestering van de roem. En willoos, zonder verzet, had hij zich laten doodhongeren, nog dankbaar met de aalmoes van een onvoldoend jaargeld en de resten van de tafel van de schaarse rijken.’

Met Os Lusíadas (1572) stelde Camões zich tot doel Homeros te overtreffen. Het heldendicht, vernoemd naar Lusus, de mystieke aartsvader van het Portugese volk, was bedoeld als een monument voor de Vasco da Gama’s historische tocht naar India, in 1498. In zijn vuistdikke epos beschreef Camões niet alleen Da Gama’s tocht, maar schilderde hij ook de lotsbestemming van de Portugezen als gunstelingen van de goden, voorbestemd om ten strijde te trekken tegen de islam en de hele wereld – van Marokko en Ethiopië tot India en China – aan hun koloniale voeten te brengen. Daarnaast wordt in Os Lusíadas episoden uit Portugese geschiedenis tot de zestiende eeuw behandeld – inclusief het bloederige liefdesdrama van de onfortuinlijke hofdame Inês de Castro en de Portugese kroonprins Dom Pedro – en biedt Camões een keur van geografische beschrijvingen van de door Da Gama en de zijnen ontdekte gebieden, en waagt hij zich ook nog aan een toekomstvoorspelling. Het meer dan elfhonderd strofen tellende epos biedt nog altijd fascinerende leesstof en geldt in de internationale letterkunde als een van de hoogtepunten van de Europese Renaissance.

Coimbra

Over het leven van Luiz Vaz de Camões is niet veel bekend. De meeste verhalen die over hem de ronde doen zijn legendes. Zeker is het volgende: hij werd geboren in Lissabon, in 1524 of 1525, en behoorde tot de lagere adel. Hij verloor zijn vader al vroeg en werd daarom uitgezonden naar een oom in Coimbra, de vermaarde universiteitsstad aan de rivier de Mondego waar hij zijn gelukkigste jaren doorbracht en die hij bezong in tal van bewaard gebleven gedichten. In Lissabon frequenteerde hij het hof van de koning, maar hij raakte al snel uit de gratie vanwege zijn reputatie als rokkenjager, vechtjas en drankorgel. In 1552 komt er aan het bohémienbestaan van de dichter een onverhoeds einde,  als hij een dienaar van de koning verwondt tijdens een zwaardgevecht. Het komt Camões te staan op een gevangenisstraf, die slechts beëindigd kan worden door het ondertekenen van een contract dat hem verplichtte als gewoon soldaat mee te trekken met de koninklijke legers in de overzeese gebiedsdelen van het dan nog oppermachtige Portugese rijk. In Ceuta in Marokko gaat het meteen fout: tijdens een gevecht verliest Camões zijn rechteroog. Daar na begint zijn lange queeste over de aardbol, in het spoor van de door hem zo innig bewonderde Vasco da Gama: rond de Kaap, Madagaskar, Mozambique, India, de Molukken, de Arabische wereld, China. Dat de edelman nooit een promotie tot officier kreeg, is een teken dat zijn militaire betrokkenheid vooral moet worden gezien als een straf (volgens sommige Camões-biografen zou hij zijn weggezonden vanwege een liefdesaffaire met een schone aan het hof die voor de koning bestemd was). Wellicht was Camões zelfs een ‘degradado’, iemand die voor straf overzee werd gezonden om te dienen als proefkonijn in de confrontatie met onbekende, mogelijk vijandige volkeren.

Schipbreuk

Tot tweemaal toe lijdt Camões schipbreuk, een keer voor de kust van Indochina en een keer bij Macao, het Chinese schiereiland bij Hongkong dat de Portugezen van de Chinese keizer als protectoraat toegewezen hebben gekregen. Volgens de legende kan hij het manuscript van de Lusíadas maar ternauwernood  uit de golven redden. In Macao wordt hij benoemd  tot ‘zaakgelastigde voor de doden en de vermisten’, een functie die hij echter al snel weer verliest, naar men zegt vanwege een onverkwikkelijke affaire met een Chinese. In Macao schrijft Camões verwoed door aan zijn epos, dat niet alleen eeuwige roem zou moeten brengen voor de pionier Da Gama, maar ook hemzelf in ere zou moeten herstellen in de kringen van het hof.

Een van de plekken waar hij zijn epos componeert, is een grot in Macao, alwaar eeuwen later een borstbeeld te zijner ere wordt geplaatst. Daar deed Slauerhoff in 1926, toen hij als scheepsarts werkte op de Java-China-Japan-lijn, zijn eerste, doorslaggevende Camões-ervaring op. Hij beschreef de plek in een reisverslag voor het thuisfront: ‘Een verwaarloosd park, geflankeerd door gebroken broeikassen en aan ‘t eind een begroeide heuvel. Daarop liggen enige grote rotsblokken, een soort kamer in hun midden open latend, gesloten door de slagschaduwen die de hele dag erover hangen. Welk een eenzaam oord. Men verhaalt dat Camões hier de Lusiade schreef, hier zich schuil hield. Ook, dat hij als schipbreukeling aan land kwam, zijn manuscript hooggeheven, om het droog te houden. Dit zal een sage zijn. Op een piëdestal, waarin strofen uit de Lusiade zijn gegrift, staat een klein borstbeeld met puntbaard en hoge kantkraag; genre Willem de Zwijger. Op banken rondom zitten jonge Chinezen in pronkgewaad. Zij storen zich niet aan deze vreemde kop.’

Het is het begin van een obsessie, die zijn beslag zal krijgen in Het verboden rijk, maar ook in enkele gedichten. Camões is voortaan Slauerhoffs vertrouwde metgezel en lotgenoot. In de grot van Camões schreef Slauerhoff zijn eerste gedicht over de Portugese meester:

Hij sleet zijn jeugd in ‘t afgelegen slot

En diende een hof, geestloos wuft en verwaten.

Hij vlood, wil hunkerend naar een grooter lot,

Alleen naar de pas opgerichte Staten.

Om zijn stilzwijgen en onzeker schot

Geminacht door kooplieden en soldaten;

Aan boord, in ‘t fort ten prooi aan ‘t plomp complot

Dat hij niet delgen kon, slechts machtloos haten.

Toch drong zijn droom tot haar verweezlijking:

Toen hij geen vreemde wonderlanden ging

Veroveren met een machtige armade,

Wrocht hij in kille grottenschemering

Gedoemd poeet, zwerver en banneling –

De zware strophen van de Lusiade.

(Uit: Camôes, Oost-Azië)

In 1567 begint Camões aan zijn terugreis naar Lissabon, en wel vanuit Goa, het Portugese protectoraat in India, waar hij ook weer enige tijd in de gevangenis moet hebben doorgebracht, op grond van vage beschuldigingen daterend uit zijn tijd in Macao. De reis strandt in Mozambique, waar de dichter-soldaat twee jaar in ultieme armoede doorbrengt, wachtend op een schip dat hem als passagier wil meenemen. Ook daar schrijft hij verwoed door aan de Lusíadas, het boek dat hem naar zijn stellige overtuiging dan eindelijk de verschuldigde eer zal brengen. Ook werkt hij aan een ander boek, de Parnasso, dat volgens zijn vriend Diego de Couto een schat aan eruditie biedt, maar vlak voor Camões’ thuiskomst wordt gestolen. Als Camões in april 1570 dan eindelijk de Taag in Lissabon aanschouwt, komt hij er al snel achter dat de situatie in het ‘nieuwe Rome’ er sinds zijn vertrek, zeventien jaar eerder, bepaald niet op vooruit is gegaan. De pest is uitgebroken en maakt duizenden slachtoffers. De mentaliteit onder degenen die de plaag doorstaan is naar de smaak van Camões verwaand en decadent. De hofhouding en de kooplieden hebben geen oog voor de offers die soldaten als hij hebben moeten brengen voor de overweldigende rijkdom van het moederland. Al zijn hoop is gevestigd op de nieuwe koning, Sebastião, die twee jaar eerder, in 1568, op veertienjarige leeftijd aan de macht is gekomen. Het is dan ook deze Sebastiaan aan wie Camões Os Lusíadas opdraagt. De epiloog van het boek, die direct tot de jonge vorst is gericht, is een hartenkreet van de dichter om zich te zetten aan een nieuwe kruistocht tegen de Moren in Noord-Afrika. In 1571 wordt het boek goedgekeurd door de inquisitie en een jaar later beleeft het in een oplage van 150 exemplaren de eerste druk. Als dank schenkt de koning de dichter een bescheiden jaargeld. Echt ruimhartig is de gage niet, en Camões blijft zijn dagen in armoede doorbrengen. De oproep van Camões aan de jonge koning om zich te zetten aan een kruistocht tegen de Moren is echter niet aan dovemansoren gericht.  Sebastiaan  wenst te worden gezien als strijder namens de Heilige Moederkerk en in juni 1578 leidt de koning hoogstpersoonlijk een leger, waaronder enige honderden Duitse en Hollandse huurlingen, op een strafexpeditie naar Alcacer-Quibir in Marokko. De oversteek wordt met vijfhonderd schepen gemaakt. In vier uur tijd wordt dit leger in Marokko in de pan gehakt. Onder de achtduizend doden aan Portugese zijde bevindt zich ook de jonge dwaze koning – vermoedelijk, want zijn lijk wordt nooit gevonden. Het voorheen zo oppermachtige Portugese rijk ligt in een klap in duigen.

Camões hoort van de catastrofe in Lissabon, waar hij inmiddels is getroffen door de pest en zijn laatste dagen doorbrengt in een armenhuis. ‘Ik hield zoveel van mijn land dat ik er niet alleen in wilde sterven, maar er ook nog samen mee stierf’, zo zou hij op zijn sterfbed hebben gezegd. Het bleef de dichter maar net bespaard getuige te moeten zijn van de glorieuze intocht van de Spaanse keizer Philips II als de nieuwe koning Philips I van Portugal.

Aquijaz Luis Vaz de Camões, Principe dos poetas do seu tempo. Viveupobre e miseravelmente. Assimmorreu’ (Hier ligt Camões, prins der dichters van zijn tijd. Hij leefde arm en miserabel en zo stierf hij ook), zo stond op zijn graf.

Het graf was trouwens leeg. Zijn beenderen werden nooit gevonden. Op zijn driehonderdste sterfdag kregen de dichter en zijn held Vasco da Gama elk een praalgraf in de kerk van het klooster van Jerominos aan de Taag in Lissabon, net als koning Manuel I en het lege graf van koning Sebastiaan, aan wie Camões Os Lusíadas opdroeg. ‘Het viertal vormt de kern van de Portugese nationale mythologie’, schrijft Arie Pos in zijn nawoord bij zijn schitterende vertaling. ‘De zeevaarder die India ontdekte en daarmee de wereld voorgoed veranderde, de koning tijdens wiens regering India en Brazilië werden ontdekt en een handelsimperium werd gevestigd dat in rijkdom en uitgestrektheid ongeëvenaard was, de dichter die dat imperium en zijn stichters bezong en de jonge koning wiens verdwijning de neergang van het imperium inluidde, maar die volgens de legende ooit op een mistige morgen zal landen op de Portugese kust als een langverwachte Messias om het rijk in zijn oude glorie te herstellen. In de loop der tijd dienden zich de nodige valse verlossers aan, maar de echte Sebastiaan is nog niet verschenen. Ook de glorieuze dagen van Vasco da Gama en Manuel i keerden niet weer. Alleen het epos getuigt nog van de oude roem en wordt nog altijd gekoesterd als de adelbrief van de nationale identiteit, een onovertroffen taalmonument en Portugals belangrijkste literaire bijdrage aan de Renaissance.’

 

De Lusiaden
Uit het Portugees vertaald
en van noten en een nawoord
voorzien door Arie Pos verscheen bij Uitgeverij L.J. Veen

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *